ENGLISH

Willem Elias — I is an other

------------------

DUTCH

Willem Elias — Ik is een andere

------------------

Ik is een andere
Van symbolisme naar neosymbolisme

In mei 1871 stuurt Rimbaud een brief aan Demeny die bekend wordt onder de naam ‘Lettre du Voyant’ (Brief van de Ziener). Rimbaud heeft het over de dichter als ziener. ‘Je est un autre’, zo stelt hij. Om ziener te kunnen worden moet een ‘beredeneerde ontregeling van alle zintuigen’ plaatsvinden. De dichter moet de eigen zintuigen rationeel ontregelen om zo een nieuwe werkelijkheid te scheppen, met nieuwe beelden, een nieuwe taal. Deze uitspraak gaat niet enkel de geschiedenis in als een toelichting bij het werk van Rimbaud. Ze is de lijfspreuk van het postmoderne denken geworden, zoals het in het poststructuralisme tot uiting komt. Arthur Rimbaud (1854-1891) en de onovertroffen voorloper, Charles Baudelaire (1821-1867) worden tot de symbolisten gerekend. Het is merkwaardig hoe dicht dit gevoelsmatige gedachtegoed of dit doordachte gevoelsleven, uit de negentiende eeuw, aansluit bij de wereld van de laatste twintig jaar. Dit is vooral zichtbaar in de schilderkunst. De tentoonstelling ‘Fading’, waaraan Reniere&Depla deelnamen, is daar een mooi staaltje van. Het zou verkeerd zijn enige geringschattende bewoordingen te uiten over die relatie van de hedendaagse schilderkunst met het symbolisme uit de negentiende eeuw. Een woord als ‘retro’ is hier uit den boze. Het postmodernisme heeft precies het illusiekarakter van het nieuwheidscriterium onderstreept. ‘Her-denken’ is hier de regel. Kijken wat de wisselende contexten geven is de boodschap. Het postmodernisme heeft gemaakt dat de vorm waarin de concepten van de conceptuele kunst vorm krijgen ook met verf tot stand kunnen komen en zelfs goed geschilderd mogen zijn. Het symbolisme leent zicht daartoe. Geen louter kijkplezier. Geen vrolijk feest voor de zintuigen, tenzij dat van een begrafenis. Het verder ten grave dragen van de voorgespiegelde zekerheden. Symbolisme is reflectie, vertrekkende van connotatieve betekenisproducties, verbonden aan objecten, ruimten, gezichten zonder geijkte expressies, poses zonder waarheen of waaruit. Alles bij voorkeur uit een andere tijd. Het heden is verleden. De zolder als geheime schuilplaats om aan de afwezige toekomst te ontsnappen. Wat we gisteren beleefden, is wat we nog weten van gisteren. Vraag het aan een groep die hetzelfde meemaakte en dezelfde feiten geven x-maal andere verhalen. Alles wordt vermenigvuldigd met de eigen ervaringsgeschiedenis van de belever. Als zwermen zwerven de betekenissen rond in de schilderijen van de symbolisten. Dat is het ‘format’, zou men in computertaal zeggen, waar de hedendaagse schilders, die vervaging als stijlkenmerk cultiveren, hun huidige maatschappelijke boodschappen mee te kennen geven. Zowat het tegendeel van sociaal-realistisch, sloganesk protest. Niet minder gemeend. Wat is het grootste protest: via een microfoon een anti-ideologische ideologie uitschreeuwen of de stekker van de geluidsinstallatie uittrekken en een aantal verstorende vragen fluisteren? Vandaar dus dat ik graag de term ‘neosymbolisme’ hanteer.
Het symbolisme was geen georganiseerde beweging, noch een eenduidig afgebakend esthetisch concept. De voorstellingwijze steunde op een centraal begrip, verbonden aan de zintuiglijke gewaarwording en de sfeer waarin de dingen baden. Deze verleent betekenis aan de objecten. De subjectiviteit neemt niet weg dat er doorgaans een sociale dimensie aanwezig was. Het voorstellingsprincipe werd herbepaald op basis van de revolutie in het ‘kijken’ die was teweeggebracht door de fotografie. De hoop die sommige intellectuelen aan het eind van de negentiende eeuw vestigden in de fotografie, paste in de spirituele crisis waarvan de burgerij het slachtoffer was geworden, op het kruispunt van de snelle ontwikkeling van de wetenschap en de twijfel aan de traditionele waarden. Kortom, een wereld zonder zekerheden. Het moderne denken kon niet anders dan het begrip ‘voorstelling’ ter discussie te stellen, zowel wat de wereld rondom het individu betrof, als voor de identiteit die dat individu opnieuw moest bepalen. De afwijzing van de werkelijkheid en het in zichzelf opgesloten zijn gingen met elkaar gepaard in een wereld zonder zin. De fotografie wees de weg naar de vervanging van de realiteit. Dat is wat men het ‘picturalisme’ in de fotografie noemt. Tegenover de ‘pure’ fotografie, die de illusie verspreidt van de werkelijkheid zelf te zijn, is er het picturalisme, dat de werkelijkheid naar zijn hand wil zetten om bepaalde effecten te verkrijgen, zoals in de schilderkunst.
De functie van de kunst is bij de symbolisten het reconstrueren van de werkelijkheid na deze eerst te hebben vernietigd. Het kunstwerk moet de indruk bewaren werkelijkheid te zijn en tegelijk het onzekere suggereren door wazigheid in het beeld te brengen. Het nieuwe zit hem in de wijze waarop de realiteit geconstrueerd wordt op een deconstructieve wijze. Eenvoudig gesteld, betekent dit dat, zoals de symbolisten al deden, er ten volle ingespeeld wordt op de dubbelzinnigheid van de fotografie die de werkelijkheid vastlegt (constructie), maar er tegelijk bij stilstaat. Deze stilstand doet ons nadenken en twijfelen aan de evidentie van onze vastgelegde visies op de realiteit (deconstructie). Naast de ondermijnende stilstand – de realiteit staat immers niet stil – versterkt het wazige de twijfel aan de zekerheid van dat wat we als vanzelfsprekend wanen. Zoals in het symbolisme worden er verbanden gelegd tussen de harde zichtbare werkelijkheid, al dan niet als document op foto vastgelegd, en de psychische werelden: het onbewuste via de droom; het gebeurlijke via de onnauwkeurige kleurigheid van de mythische verhalen; de geheimen van de macht via de verborgen ideologische dimensie van de tekens van de normale alledaagsheid. Komt daar nog bij dat door het voortschrijden van de tijd wij voortdurend in het verleden leven. Alles is onmiddellijk herinnering. Het verleden ervaren we als de som van vage momenten. Geen film, maar film stills, fotografie. Het objectieve in de schemering, het subjectieve haarscherp.
Een handleiding in vervloeide inkt om deze kunst wat beter te begrijpen, vindt men bij Freud, wanneer hij schrijft over ‘Das Unheimliche’ (1919), een ondertussen ingeburgerd begrip in de Nederlandse taal, omdat het etymologisch te krachtig is om vertaald te worden. Hij beschouwde dit als een relatief verwaarloosd gebied van het esthetische. Het betreft kunstwerken die een gevoel opwekken van onbehaaglijkheid, ongemak, verontrusting, angst, afschuw. Tot de horror toe, maar dan deze waarin niet een schrikwekkende Dracula verschijnt, maar een situatie waarin de stilte een aanwezigheid laat vermoeden die men niet goed ziet en dus niet kent. Hier zit de dubbelzinnigheid van het woord. Semantisch en etymologisch zijn het Unheimliche en het Heimliche immers niet uit elkaar te houden in het Duits. Ze verwijzen naar situaties waarin iets ‘heimlich’, huiselijk en vertrouwd, tevens ‘unheimlich’ is, onbehaaglijk. Het Unheimliche is dus het zich voordoen van iets dat ooit vertrouwd was en dat onderdrukt is geworden en vervreemding in de geest brengt.

De Avonden

Dat Reniere&Depla mij hebben aangezet om me te vermeien in ‘De Avonden’ van Gerard Reve, is een weldaad. In het boek gebeurt in feite niets. Het hoofdpersonage eet, drinkt, praat, ontspant zich en voert banale gesprekken met vrienden. Het best leert men het personage kennen via wat hij denkt en niet uitspreekt. Van binnenuit bekeken worden we ons met mondjesmaat bewust van het feit dat deze gewone man een vreemd sujet is. Een vreemdheid die we delen. En die gepaard gaat met het besef dat het ik een verzameling dubbelgangers in zich draagt die hun gang gaan. Uiterlijk gelijk, innerlijk variant. Uiteindelijk onkenbaar, noch door de ander, noch door zichzelf. Ik is een andere. Onbeschrijfbaar, zelfs niet in de oneindigheid van een juridisch of psychiatrisch dossier. De literatuur op zijn minst, suggereert het zijn. Ze wekt op wat het zijn zou kunnen zijn.
Hetzelfde doet de schilderkunst van Reniere&Depla. De essentie wordt niet gezocht. Ze is er niet. En mocht ze er zijn, dan is ze vervelend. Ze is wat ze is dat ze is, een tautologie. Dat semiotici vlug verworden zijn tot mierenneukers, neemt niet weg dat ze hebben doen inzien dat de denotatie oninteressant is. Het leven wordt boeiend bij de connotaties, de details en de wijze waarop contexten kleven aan tekens. Reniere&Depla schilderen dat soort contexten. Lichamen of objecten zijn zichzelf niet. Ze hebben zich verkleed doorheen de tijd. Een sfeer heeft hen verhuld in betekenis. Een ding is geen ding. Het symboliseert stemming. Geen feiten, interpretaties. Daar leven we mee. Die zijn het leven. We hadden Nietzsche nodig om dat in te zien en ons te verlossen van Plato.
Reniere&Depla leggen schilderend gemoedstoestanden vast. De andere is de andere niet als hij niet voor iemand de andere is. Een ding is maar een ding als het de plaats krijgt in een ervaringswereld. Het ding geeft betekenis aan de wereld en de wereld aan het ding. Deze beide boodschappendragers paren voortdurend met elkaar. Zo krijgen de dingen een patina van betekenissen en verandert de wereld stap voor stap. Niet naar een toekomst, want het verleden wandelt mee, weliswaar met de onzekere tred van het geheugen. De melancholie voor het voorbije en de nostalgie naar wat geweest is, bepalen de ademhaling van het worden. Reniere&Depla wekken werelden op waarin dit mengsel, aangelengd met de continue verwording, getoond wordt door het te verbergen. Achter het masker schuilt geen waarachtig aangezicht. Het gelaat is het masker, een van de vele. Reniere&Depla schilderen die wandelingen van het leven, oh zo breekbaar broos. Ingetogen, adembenemend leggen ze er de momenten van vast.
Ik heb dit soort eigentijds schilderen neosymbolistisch genoemd, omdat er niet van de waarneming vertrokken wordt. Aanleiding is een denkproces. Een verwerken van de wereld. Een zoektocht naar de mens en zijn wereld. Een gekkenrit tussen de exuberantie van de tekens. Een labyrint van betekenisproducerende gegevens, zoals in een spookkasteel. Een object of situatie kan niet betekenisloos blijven omdat zowel aan- als afwezigheid symboliserend werken. De buitenwereld als projectiescherm van de binnenwereld. Autisme als alomtegenwoordig persoonlijkheidskenmerk.

— Willem Elias, Decaan van de Faculteit Psychologie en Educatiewetenschappen (VUB)
in Reniere&Depla 2005-2009