ENGLISH

Joannes Kesenne — We didn’t found words, not even whispering

------------------

DUTCH

Joannes Kesenne — We hadden geen woorden gevonden, geen fluisteren zelfs

------------------

1

We hadden geen woorden gevonden, geen fluisteren zelfs. Wat tussen déze twee mensen, deze man en deze vrouw, ooit bestond, bestáát. Het is een luisteren tussen hen naar wat op-de-eerste-plaats komt. Een gewoonte die reeds eeuwen tot het proza van de wereld behoort, maar niettemin meer in de verstilde koelte van een olijfboom gedijt dan in wat wij plegen onze tijd te noemen. Hetgeen hen namelijk bezighoudt, verblijft, voor wie kan zien, in niets anders dan een bijzonder type aanvoelen. Wat zij ons tonen is - voor alles - uitnodiging tot een noodzakelijk kijken. Wie een inkijk verdient in hun beelden, verwijlt bij het drama áls drama zelf, zoals – bij wijze van spreken - een Afrikaanse moeder langzaam het leven uit haar kind voelt wegvloeien. Hoe het sterft in haar schoot. Verscheurd van wanhoop blijft ze achter. Het brengt de herinnering aan de Piéta tot leven. Maar in de kunst van Reniere & Depla zou een dergelijk beeld zich tegelijkertijd binnenstebuiten keren. Het zou het Afrika van ons verlangen in ons tot leven brengen. Elk drama dat ons op hun wijze aankijkt, doet appèl op iets van het mystieke lichaam in onszelf. Credo quia absurdum.

Dit is wat de kunst van Reniere & Depla ons aandoet. Deze kunstenaars begroeten de wereld als voortvluchtige tweelingen. Als Flamands-sans-papiers . Meer op de tast dan wie met zekerheid weet waar het doel geplaveid ligt. Het kan niet anders of ze moeten ooit ergens een bewaarkelder van gedeelde herinneringen hebben aangelegd. Maar waar dan? Ik meen te mogen zeggen: in niets anders dan de ruïnes van wat sommigen de westerse beschaving plegen te noemen.

Hoe hun beelden soms puntig de dingen zélf weten aan te raken. Want misschien is aanraken uiteindelijk wel het goede woord. Hun kunst raakt wie zien kan. Maar tevens scheert hun beeldvorming rakelings langsheen de open wonden van onze politieke cultuur. Zoals daar zijn: de restanten van de Grote Oorlog, de machteloze eenzaamheid van schoonheid, de noodlottigheid van joods leed in de wereldgeschiedenis, hoe even verlaten als geladen een landschap wel kan ogen, het vermoeden van een gezinsleven bij een vernietigde woning, lees een thuis, maar ook dat koppige zwijgen op mondhoogte, want “in den beginne was het beeld”.

2

In 1969 reist de joods-Roemeense dichter Paul Celan af naar Israël. Hij houdt er een toespraak voor de Hebreeuwse schrijversbond, waarin hij o.a. het volgende zegt:

“Ik denk dat ik me heel goed kan voorstellen wat joodse eenzaamheid
betekenen kan. (…) Ik vind hier, in dit uitwendige en inwendige landschap,
veel van de waarheidsdrang, de zelfevidentie en de wereldwijde eenmaligheid
van grote poëzie.”

Bepaalde werken van Reniere & Depla verschijnen als de geblinddoekte dragers van deze woorden: hoe het moet aanvoelen om als jood in de wereld te staan, hoe de vlucht van de arend de ziel van het heuvelland rooft, hoe in de onherhaalbaarheid van een blik veel waarheid is verdicht. Met het woord jood zinspelen we hier niet louter op het joodse volk in Israël of in de diaspora, maar op de metafoor jood, op het ultieme symbool van de verworpenen des werelds, op het slachtoffer van discriminatie, op het “alles van waarde is weerloos” van de dichter Lucebert, op de voor het leven gemarginaliseerde Palestijn in één of ander Jordaans vluchtelingenkamp.


3

Het is in deze beelden van naamloos oorlogsverdriet, van de stotterende stap van de emigrant, van het verbleekte gelaat in het licht van de dodenkaars, van huismuren met schaduwen in tranen, … het is in deze beelden dat het zijn van het tragische zich onthult als verloren-zijn. Al altijd hadden wij - mensen - onze oorsprong verloren, onze dierlijke afkomst willen vergeten. We hebben ons daarbij inmiddels neergelegd, zoals een zoon zich tenslotte ermee verzoent door het leven te gaan met de gelaatstrekken van zijn vader. Maar voortaan zijn we ook nog onze toekomst kwijt. Bagdad, Athene, Jeruzalem, Rome, Constantinopel, Parijs, Berlijn, New York, … We hebben uw ruïnes gezien, we hebben uw schandvlekken van gekwetste hoogmoed niet kunnen afdekken. Het zijn de wapenfeiten van een held als Aiax uit de Ilias, die nadat hij in het licht van de maan een kudde runderen te lijf was gegaan als golden het Griekse soldaten, tenslotte uit schaamte de hand tegen zichzelf richtte. Maanziekte of heldenmoed?


4

Vraag mij niet: “Wanneer?”. Want dit is niets dan waan eer. Wat deze kunst niet verbergen kan, is haar saturnale zonde.


5

Hoe kunst creëren in tijden waarin het kunstgebeuren eerder lijkt op een terugkeer van het beeldverbod! Hoe moet dat? Aanwezige afwezigheid of eerder lafwezigheid? Het kunstzinnige pad bewandelen vandáág midden de kerkhoven van het oude Europa, tijdens de begindagen van een gloeiend nieuw millennium, die de last van een gruwelijke geschiedenis achter zich aansleept, zoals de gevangene zijn loodzware globe … wat heeft dát te betekenen? Wat betekent het wanneer wij – dixit Balzac - tegen mekaar zeggen dat “kunst retoriek is van de belofte”. Dit heeft kunst – oppervlakkig gezien - gemeen met politiek, toch? Weliswaar mét dit “narcisme van de kleine verschillen”: kunst blijft messianisme, zolang politiek machiavellisme bedrijft. Kunst kan een toekomst ontvouwen als manifestatie van gerechtigheid, maar zonder verwachtingshorizon en zonder profetische afkondiging. De komst van het andere moet een absolute verrassing blijven. Geen “wachten op Godot”, maar eerder de poëzie van het wachten op een geliefde, terwijl in gedachte het gelaat reeds verschijnt in de fata morgana van de verbeelding. En wel die gelaatsexpressie die verschijnt in dat exclusieve ogenblik van orgastische gastvrijheid.

6

Boven het melancholische landschap van deze kunst, vertoeven de engelen des doods op enige afstand. Ze houden zich gedeisd. Zijn ze het beu om het offer van het geweld te brengen in naam van de geweldloosheid? Dit brengt de verleiding van het religieuze terug ter sprake. Filosoof Derrida verwijlde ooit bij de twee bronnen, die twee waterputten in de woestijn van het religio. Of lees Levinas: het onderscheid tussen de sacraliteit en het heilige. Dat wat in het Latijn het verschil maakt tussen religere en religare, tussen plukken, verzamelen enerzijds en binden, verbinden anderzijds. Gemeenschappelijk blijft het re: het herhalen, de cultus,de recollectie, het her-assembleren. Het is de belofte de waarheid altijd weer opnieuw ter sprake te brengen. Misschien in het bidden? Het rusten om terug te komen en te herbeginnen? In elk geval een blijvende band installeren met wat ons ontsnapt, ons te buiten gaat, wat ons vervreemd en vertwijfeld achterlaat. Zouden immers granaatappels en zandlopers beter weten waarover het gaat? We betwijfelen dit. Het heilige houdt zich niet op in het vertrouwde, het veilige, het voorspelbare. Als de kunst van Reniere & Depla ons iets laat zien, is het wel dat het heilige aanwezig is in het geweld van het offer uit naam van de geweldloosheid. Precies datgene waarvoor de engelen aarzelen, terugdeinzen en zich uiteindelijk terugtrekken! Luister naar Rilke: “Want het schone is niets dan het juist nog door ons te verdragen begin der verschrikking, en wij bewonderen het zo omdat het, gelaten, versmaadt ons te vernietigen. Schrikwekkend is iedere engel”.

— Joannes Késenne in Reniere&Depla 2000-2004